In de uitspraak van de Hoge Raad, d.d. 18 januari 2019 gaat het om een expat bij Shell die na zijn repatriëring, een “papieren” arbeidsovereenkomst in Nederland heeft gekregen met het doel hem een nieuwe functie te laten vinden binnen het Shell-concern, overeenkomstig een binnen dat concern geldende regeling voor expats. Nadat verschillende sollicitatiepogingen waren mislukt en de werknemer een hem aangeboden functie in Nederland had geweigerd, heeft Shell ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Het ging hier met name om de vraag of de rechter de ontbinding kon baseren op de ontslaggrond in art. 7:669, lid 3 onder h, BW, te weten de zogenoemde ‘restgrond’ of zich had moeten baseren op de a-grond (bedrijfseconomisch ontslag). Daarnaast is de vraag aan de orde of herplaatsing elders binnen het Shell-concern niet mogelijk was of niet in de rede lag (zoals bedoeld in art. 7:669 lid 1 BW).

In mijn noot onder deze uitspraak, kom ik uitvoerig terug op het feit dat de Hoge Raad op deze twee punten duidelijkheid geeft. Allereerst geldt dat de expat van Shell die bankzitter is, op grond van de h-grond (art. 7:669 lid 3 onder h BW) kan worden ontslagen mits geen sprake is van een verkapte a-grond (art. 7:669 lid 3 onder a BW). De vraag is natuurlijk of dit nu enkel geldt voor de bankzittende expats van Shell of ook voor andere constructies. Daarnaast heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de herplaatsingsplicht (ex art. 7:669 lid 1 BW) een redelijkheidstoets in zich draagt die een zekere beoordelingsruimte laat aan de werkgever.

Deze noot is genomineerd voor de Magna Charta Publieksprijs arbeidsrecht, vanaf 15 nov. kan gestemd hiervoor worden.